Een MIG/MAG-lasser in een constructiewerkplaats meldde steeds dezelfde storing: een onrustige boog, draad die af en toe vastliep en contacttips die soms al na één ploeg vervangen moesten worden. De draad, machine en lasparameters leken op papier correct. Toch liep het verbruik van slijtdelen snel op. Dit praktijkvoorbeeld over contacttip-slijtage verminderen laat zien dat de oorzaak meestal niet in één onderdeel zit, maar in de complete draadaanvoer van haspel tot lastoorts.
De oplossing was niet simpelweg een voorraad goedkopere of hardere contacttips plaatsen. Eerst is vastgesteld waar de slijtage ontstond, welke tip bij de gebruikte draad hoorde en hoe de toorts zich tijdens langdurig laswerk gedroeg. Dat leverde minder stilstand, een constantere boog en een veel voorspelbaarder verbruik van contacttips op.
De praktijksituatie: snelle slijtage bij MIG/MAG-lassen
In deze werkplaats werd constructiestaal gelast met 1,0 mm massieve SG2-lasdraad. Het werk bestond uit veel hoeklassen aan frames, voornamelijk in de positie PB. Er werd gelast met een MIG/MAG-toorts die regelmatig lang achter elkaar belast werd. De lassers vervingen contacttips zodra de draad onrustig liep of wanneer de boog hoorbaar instabiel werd.
Bij controle bleken de tips niet allemaal hetzelfde slijtagebeeld te hebben. Sommige waren aan de draaduitgang ovaal uitgesleten. Andere hadden sterke aanslag in en rond de boring. Bij een paar tips was sprake van aanbranding na een burnback. Dat verschil is relevant: een ovale boring wijst vaak op mechanische wrijving en warmtebelasting, terwijl aanbranding eerder past bij een storing in draadaanvoer, verkeerde afstand tot het werkstuk of ongunstige instellingen.
De werkplaats gebruikte bovendien verschillende merken en typen contacttips door elkaar. Nominaal waren het allemaal 1,0 mm tips, maar de passing, materiaalsoort en maatvoering verschilden. Dat is bij een lasproces met hoge inschakelduur geen detail. Een contacttip moet de lasdraad gecontroleerd geleiden en tegelijk de stroom betrouwbaar overdragen. Zodra de boring te ruim, beschadigd of vervuild raakt, verschuift het contactpunt. De boog wordt minder stabiel en de slijtage versnelt.
Contacttip-slijtage verminderen begint bij de juiste combinatie
De eerste maatregel was standaardiseren. Voor de gebruikte 1,0 mm stalen lasdraad is gekozen voor één passend type contacttip, met dezelfde aansluiting op de toorts en dezelfde kwaliteit koperlegering. De contacttip werd gecontroleerd in combinatie met de juiste tiphouder en gasverdeler. Een goed passende tip in een versleten of scheef gemonteerde houder blijft namelijk geen goede oplossing.
De nominale draaddiameter is het uitgangspunt, maar niet het enige criterium. Bij continu werk met hoge stroom kan een standaardmaat in sommige toepassingen te krap lopen door warmte-uitzetting. Een iets ruimere boring kan dan helpen, maar alleen als de draadaanvoer verder correct is. Te veel speling geeft juist een onvast elektrisch contact, meer boogvariatie en sneller uitslijten. De beste maat hangt dus af van draadsoort, stroomsterkte, inschakelduur, toortstype en de manier waarop de lasser werkt.
Ook de positie van de contacttip is gecontroleerd. Bij laswerk met veel spatten of bij gebruik van gevulde draad kan een terugliggende contacttip praktisch zijn. Bij andere toepassingen kan een andere stand nodig zijn voor bereikbaarheid en gasbescherming. De gekozen positie verandert de warmtebelasting op de tip en beïnvloedt de vrije draaduitleg. Pas daarom niet alleen de tippositie aan zonder de lasinstellingen opnieuw te beoordelen.
De liner bleek de grootste verborgen oorzaak
De grootste verbetering kwam niet direct van de contacttip zelf, maar van de draadliner. De oude liner bevatte koperdeeltjes, stof en fijne metaalresten. Daardoor liep de draad niet gelijkmatig door de toorts. De aandrijfrollen moesten harder werken, de draad kreeg kleine schokken en kwam niet altijd recht in de contacttip terecht. Die zijdelingse belasting slijpt de boring sneller ovaal uit.
De liner is vervangen door een exemplaar dat past bij 1,0 mm stalen draad. Daarna is deze op de juiste lengte gemonteerd. Een te korte liner veroorzaakt een opening bij de aansluiting op de toorts en een te lange liner kan opstuiken. In beide gevallen verliest de draad geleiding. De liner moet schoon zijn, zonder knikken en zonder beschadigde uiteinden. Bij intensief gebruik is preventief vervangen goedkoper dan wachten tot de boogkwaliteit zichtbaar terugloopt.
Ook de draadhaspel kreeg aandacht. Een beschadigde haspelrand, roestige draad of vervuiling op de draad komt uiteindelijk in de liner en contacttip terecht. De lasdraad werd daarom afgeschermd opgeslagen en de draadgeleiders werden periodiek gereinigd. Bij aluminiumdraad is dit nog kritischer: gebruik dan passende U-groefrollen, een geschikte liner en onderdelen die het zachte materiaal niet beschadigen.
Instellingen en toortsbelasting bepalen de levensduur
Een contacttip is een slijtonderdeel, maar extreem korte levensduur is vaak een signaal dat de warmte niet goed wordt afgevoerd. In deze praktijkcase was de machine-instelling binnen het bereik, maar de toorts was voor een deel van het werk te licht uitgevoerd. Tijdens lang lassen op hoger vermogen liep de toortshals en daarmee de contacttip sterk op in temperatuur.
Door een zwaardere toortsopbouw en een betere afstemming op de inschakelduur toe te passen, daalde de temperatuur van de slijtdelen merkbaar. Dat betekent niet dat iedere toepassing direct een watergekoelde toorts nodig heeft. Voor kort, onderbroken werk is een luchtgekoelde toorts vaak praktisch en voldoende. Bij langdurig productiewerk met hoge stroomsterkte kan waterkoeling of een zwaardere luchtgekoelde toorts echter duidelijk minder verbruik opleveren.
De lassers controleerden daarnaast de stick-out en hun werkafstand. Een te lange vrije draaduitleg verhoogt de weerstand in de draad en kan het lasgedrag onnodig onrustig maken. Te dicht op het werkstuk lassen vergroot de kans op spatten, aanbranding en beschadiging van de contacttip. Een vaste, passende werkmethode helpt daarom net zo goed als een nieuw slijtonderdeel.
Praktische controle vóór u contacttips vervangt
Als een contacttip vaker dan verwacht vervangen moet worden, controleer dan niet alleen de tip. Loop de volledige route van de draad na. Deze vier controles geven in de meeste gevallen snel richting:
- Controleer of draaddiameter, contacttip, tiphouder en gasverdeler bij elkaar passen.
- Controleer de liner op vervuiling, verkeerde lengte, knikken en slijtage bij de aansluitingen.
- Controleer aandrijfrollen, draadspanning en haspelrem. De draad moet constant lopen zonder platgedrukt te worden.
- Controleer toortsbelasting, kabelpakket, werkafstand en instelling op burnback.
Wanneer moet de contacttip direct worden vervangen?
Een tip met een duidelijk ovale boring, vastzittende draad, sterke aanbranding of zichtbaar beschadigde draaduitgang moet direct worden vervangen. Doorlassen met een versleten tip bespaart niets. Het verhoogt de kans op lasspatten, instabiele inbranding, poreus werk door een verstoorde gasbescherming en tijdverlies bij het nabewerken.
Vervang bij twijfel ook de tiphouder of gasverdeler als deze draad beschadigd is, slecht aansluit of vol spatten zit. Gebruik bij het monteren schoon gereedschap en draai onderdelen vast volgens de constructie van de toorts. Te los gemonteerde onderdelen geven slechte stroomoverdracht, terwijl te hard aandraaien draad en schroefdraad kan beschadigen.
Het resultaat in de werkplaats
Na het standaardiseren van contacttips, vernieuwen van de liners en afstemmen van de toorts op de werkbelasting daalde het tipverbruik aanzienlijk. Belangrijker nog: de lassers hoefden minder vaak een storing te zoeken tijdens het werk. De boog startte consistenter en de lasnaden vroegen minder correctie.
Dat resultaat kwam niet door één duur onderdeel, maar door een onderhoudsroutine waarin draad, liner, aandrijfrollen, toorts en slijtdelen als één systeem worden behandeld. Houd daarom een klein aantal passende contacttips, liners, gasverdelers en toortsonderdelen op voorraad. Wie slijtage vroeg herkent en de oorzaak verhelpt, houdt de toorts langer productief en de laskwaliteit onder controle.