Veilig lassen begint vóór de eerste boog
De term lasveiligheid normen wordt vaak pas genoemd wanneer een opdrachtgever, inspecteur of preventiemedewerker ernaar vraagt. In de praktijk begint veilig werk veel eerder: bij de inrichting van de werkplek, de keuze van de lasmethode, de staat van de machine en de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen. Een goed lasmasker is noodzakelijk, maar lost geen lasrook, brandgevaar of elektrische risico's op.
Voor een zelfstandige lasser, onderhoudsploeg of constructiewerkplaats is veiligheid geen los product op de inkooplijst. Het is een combinatie van passende middelen, duidelijke werkafspraken en onderhoud. Welke norm voor u geldt, hangt bovendien af van het werk: TIG-lassen aan een RVS-tafel vraagt iets anders dan MIG/MAG-lassen in een productiehal of reparatiewerk in een tank, op hoogte of op locatie.
Wat normen voor lasveiligheid in de praktijk betekenen
In Nederland vormen de Arbowet en het Arbobesluit het uitgangspunt voor veilig werken. De werkgever moet risico's in kaart brengen in een risico-inventarisatie en -evaluatie, kortweg RI&E, en passende maatregelen nemen. Dat geldt ook voor kleine bedrijven en voor werkzaamheden die slechts af en toe plaatsvinden. Voor zzp'ers zonder personeel zijn de wettelijke verplichtingen anders ingericht, maar opdrachtgevers, verzekeraars en eigen verantwoordelijkheid maken dezelfde aanpak verstandig.
Normen beschrijven vervolgens hoe een product, machine of beschermingsmiddel aan bepaalde prestaties moet voldoen. Een CE-markering geeft aan dat een product onder de toepasselijke Europese regels op de markt mag worden gebracht. Dat betekent niet automatisch dat het product geschikt is voor iedere lasklus. De gebruiker moet nog steeds de juiste beschermingsklasse, maatvoering en toepassing kiezen.
Bij lasapparatuur zijn de instructies van de fabrikant leidend. Voor booglasapparatuur zijn normen uit de EN IEC 60974-reeks relevant. Onder meer EN IEC 60974-9 gaat over installatie en gebruik van booglasapparatuur. In een werkplaats speelt daarnaast elektrische bedrijfsveiligheid een rol. Laat aansluitingen, kabels, stekkers en de voedingsgroep passen bij de belasting van de machine en de omstandigheden op de werkvloer. Beschadigde laskabels, slechte aardklemmen en verlengkabels die over looproutes liggen, zijn geen kleine gebreken.
Werk altijd vanuit de actuele eisen die voor uw bedrijf, opdrachtgever en locatie gelden. Normen worden herzien en grote projecten kunnen aanvullende voorschriften opleggen. Een veiligheidsblad of certificaat vervangt daarom nooit een beoordeling van de daadwerkelijke werksituatie.
PBM: kies per risico, niet per gewoonte
Tijdens lassen ontstaan uv- en infraroodstraling, hitte, spatten, vonken, lawaai en soms slijpdeeltjes. De benodigde PBM hangt af van proces, stroomsterkte, materiaal, positie en omgeving. Iemand die een korte hechtlas zet, heeft andere risico's dan iemand die urenlang boven het hoofd last of gutswerk uitvoert.
Een laskap of lashelm moet ogen en gezicht afschermen tegen straling en spatten. Voor oog- en gelaatsbescherming zijn onder andere EN 175 en EN 166 bekende normen. De lasfilter zelf kan vallen onder EN 169 bij passieve filters of EN 379 bij automatisch donkerkleurende filters. Vooral bij een automatische laskap is de gekozen tint belangrijk. Te licht betekent onvoldoende bescherming; te donker maakt het lastiger om het smeltbad en de omgeving goed te zien. Kijk daarom naar de aanbevolen tint voor het lasproces en de gebruikte stroomsterkte.
Lashandschoenen moeten niet alleen sterk zijn, maar ook geschikt voor warmte en laswerk. EN 12477 is specifiek relevant voor lashandschoenen. Type A biedt doorgaans meer bescherming en is geschikt voor zwaarder werk; Type B geeft meer gevoel en bewegingsvrijheid, bijvoorbeeld bij TIG-lassen. De keuze is dus een afweging. Dunne TIG-handschoenen zijn prettig voor controle, maar zijn geen logische keuze voor zwaar MIG/MAG-laswerk met veel spatten.
Laskleding met EN ISO 11611 helpt beschermen tegen kleine metaalspatten, kort contact met vlam en stralingshitte. Sluit jas, manchetten en kraag goed aan en draag geen synthetische onderkleding die bij hitte kan smelten. Veiligheidsschoenen met een passende veiligheidsklasse, gehoorbescherming bij slijpen en aanvullende oogbescherming bij voor- en nabewerking horen eveneens bij de basis.
Controleer PBM dagelijks op scheuren, gaten, versleten naden en vervuilde ruiten. Een lasruit met lasspatten of krassen beperkt zicht, waardoor de kans op fouten en onveilige lichaamshouding toeneemt. Vervang slijtdelen tijdig. Dat kost minder dan herstelwerk of uitval.
Lasrook afzuigen: bronaanpak gaat voor een masker
Lasrook is een van de grootste gezondheidsrisico's bij laswerk. De samenstelling verschilt per proces en materiaal. RVS kan bijvoorbeeld chroom- en nikkelverbindingen bevatten; verzinkt staal geeft bij verhitting extra schadelijke dampen. Ook coatings, olie, verf en reinigingsmiddelen kunnen de situatie aanzienlijk verslechteren.
De beste maatregel is blootstelling beperken bij de bron. Gebruik waar mogelijk een toortsafzuiging, afzuigarm of afzuigtafel die dicht bij de lasnaad werkt. Algemene ruimteventilatie is nuttig, maar is zelden voldoende als primaire maatregel. De rook moet worden afgevangen voordat deze in de ademzone van de lasser komt.
Voor afzuig- en filterinstallaties zijn normen uit de EN ISO 15012-reeks relevant. Die normen helpen bij het beoordelen van prestaties van apparatuur voor het afzuigen en scheiden van lasrook. Inkoop alleen op capaciteit in kubieke meters per uur is niet genoeg. Let op de werkafstand, de positie van de afzuigkap, het type filter, onderhoudsmelding, vervangfilters en de manier waarop schone lucht wordt teruggevoerd of afgevoerd.
Adembescherming is een aanvullende maatregel wanneer bronafzuiging niet voldoende haalbaar is, bijvoorbeeld bij werk op locatie, in een krappe constructie of bij tijdelijke reparaties. Kies dan een passend systeem en zorg voor een goede pasvorm. Baardgroei kan de afdichting van een halfgelaatsmasker verstoren. Een aangedreven ademhalingssysteem met laskap kan dan een betere optie zijn, maar ook dat systeem vraagt accubeheer, filteronderhoud en instructie.
Brandgevaar, gasflessen en besloten ruimten
Vonken verplaatsen zich verder dan veel mensen verwachten. Achter een wand, onder roosters, in isolatiemateriaal of tussen opgeslagen verpakkingen kan een smeulbrand ontstaan. Maak de werkzone vrij van brandbare materialen, scherm de omgeving af met lasdekens waar dat nodig is en zorg dat een geschikt blusmiddel direct bereikbaar is. Bij heet werk buiten de vaste lasplek is een werkvergunning of heetwerkprocedure vaak de juiste aanpak.
Laat na afloop controleren of er geen nasmeulende brandhaard is, zeker bij onderhoudswerk in bestaande gebouwen, voertuigen of schepen. Een brandwacht is geen formaliteit als er kabelgoten, holle ruimtes, olie, stof of isolatie in de buurt zitten.
Gasflessen moeten rechtop staan, tegen omvallen zijn gezekerd en beschermd zijn tegen hitte, beschadiging en onbevoegd gebruik. Gebruik een passende reduceerventiel, houd aansluitingen schoon en controleer slangen op lekkage en uitdroging. Verplaats een fles met een flessenwagen, niet aan de kraan of met een magneet. Voor opslag en gebruik kunnen aanvullende eisen gelden, onder meer vanuit PGS-richtlijnen, de locatie en de hoeveelheid flessen.
Werk in een besloten ruimte vraagt een apart plan. Zuurstofverdringing door beschermgas, ophoping van dampen en beperkte vluchtmogelijkheden maken dit werk wezenlijk anders dan lassen aan een open werkbank. Meet de atmosfeer waar nodig, regel ventilatie, zorg voor toezicht en spreek redding vooraf af. Zonder die voorbereiding is de ruimte niet geschikt voor laswerk.
Een controle die elke werkdag oplevert
Maak van de startcontrole een vast onderdeel van het werk, niet iets voor auditdagen. Controleer of de laskabels, elektrodehouder of toorts, massaklem en netaansluiting heel en droog zijn. Kijk vervolgens naar afzuiging, brandbare materialen, gasverbindingen en de juiste PBM. Test bij een automatische laskap de werking voordat u begint.
Houd de werkplek overzichtelijk. Slangen en kabels horen niet door looppaden te lopen en slijpschijven, verbruiksdelen en gereedschap moeten binnen bereik liggen zonder dat iemand over materiaal hoeft te stappen. Een nette lasplek werkt sneller, maar vooral veiliger.
Veilig lassen zit uiteindelijk in de details: een frisse filtercassette, een goed geplaatste afzuigarm, een passende handschoen en een kabel die niet half is doorgesleten. Leg die basis vóór het werk klaar. Dan blijft de aandacht tijdens het lassen waar die hoort: bij de las en bij de mensen eromheen.