Wie MIG of MAG last, merkt het vaak pas als het misgaat: veel spatten, onrustige boog, slechte inbranding of een las die er goed uitziet maar mechanisch tegenvalt. In de praktijk ligt dat opvallend vaak niet aan het apparaat, maar aan de keuze van de draad. Deze gids voor MIG lasdraad soorten helpt je sneller de juiste combinatie te kiezen voor materiaal, gas, draaddiameter en toepassing.
Waarom de juiste MIG lasdraad het verschil maakt
Lasdraad is geen verbruiksartikel dat je er even willekeurig bij pakt. De draad bepaalt mee hoe stabiel de boog loopt, hoe goed het smeltbad zich laat sturen en hoeveel nabewerking je overhoudt. Zeker in een werkplaats waar productietijd telt, is dat direct merkbaar.
Daarbij speelt ook mee dat de benaming MIG in de praktijk vaak samenloopt met MAG. Strikt genomen gebruik je bij MIG een inert gas, bijvoorbeeld argon, en bij MAG een actief gas of menggas, bijvoorbeeld argon met CO2. In de markt wordt echter veel door elkaar gesproken over MIG lasdraad, terwijl men staaldraden voor MAG bedoelt. Voor de keuze van de draad is het belangrijker om naar materiaalsoort en gascombinatie te kijken dan alleen naar de procesnaam op zichzelf.
Gids voor MIG lasdraad soorten per materiaal
De eerste en belangrijkste keuze is altijd het basismateriaal. Een draad voor ongelegeerd staal gebruik je niet voor RVS, en aluminium vraagt weer om een heel andere opbouw van draad, aandrijving en afstelling.
Massieve lasdraad voor staal
Voor constructiestaal en algemeen ongelegeerd staal is massieve staaldraad de standaardkeuze. Dit is in veel werkplaatsen de meest gebruikte draadsoort, vooral voor werk aan frames, plaatwerk, hekwerk, machinebouw en reparatie.
Massieve draad geeft een rustige boog, goede aanblik van de las en is breed inzetbaar. In combinatie met een geschikt menggas werk je relatief schoon en met beheersbare spatvorming. Voor dun plaatwerk is 0,8 mm vaak een logische keuze. Voor algemener werk en wat hogere afsmeltprestaties wordt 1,0 mm veel gebruikt. Bij zwaarder werk komt 1,2 mm in beeld, maar dan moet de machine daar ook bij passen.
Niet elke staaldraad is exact gelijk. De chemische samenstelling verschilt per classificatie en bepaalt onder meer hoe de draad omgaat met walshuid, lichte vervuiling en de vereiste mechanische eigenschappen. Voor normaal constructiewerk volstaat meestal een gangbare SG2 of vergelijkbare draad. Voor toepassingen waar net wat meer eisen gelden aan sterkte of lasgedrag op minder schoon materiaal, wordt ook SG3 gekozen. Het hangt af van de materiaalkwaliteit en de omstandigheden in de werkplaats.
RVS lasdraad
Voor roestvast staal gebruik je een RVS draad die past bij de legering van het basismateriaal. Een verkeerde keuze kan leiden tot corrosieproblemen, scheurgevoeligheid of een las die qua sterkte niet aansluit op het werkstuk.
Veel voorkomende RVS draden zijn varianten voor 304, 308, 316 en vergelijkbare kwaliteiten. Werk je met standaard RVS constructies of plaatwerk, dan kom je vaak uit bij een 308-type. Voor toepassingen waar molybdeen in het basismateriaal zit, zoals 316, kies je ook een passende draad. Dat is geen detail. In omgevingen met vocht, chemicaliën of buitenbelasting telt die match echt mee.
RVS lasdraad vraagt ook om aandacht voor de rest van het proces. Denk aan schone aandrijfrollen, een liner die geschikt is voor het materiaal en een beschermgas dat aansluit op RVS-lassen. Als je draad, gas en vervuilde toorts door elkaar gebruikt tussen staal en RVS, loop je sneller tegen besmetting van het materiaal aan.
Aluminium lasdraad
Aluminium is een apart verhaal. Niet alleen de draadsoort verandert, ook de draadaanvoer wordt kritischer. Aluminiumdraad is zachter dan staal en daardoor gevoeliger voor aanvoerproblemen, vooral bij langere toortsen of een minder goed ingestelde aanvoerunit.
Veelgebruikte aluminiumdraden zijn bijvoorbeeld AlSi5 en AlMg5. Welke je nodig hebt, hangt af van de legering van het basismateriaal en van wat de las moet kunnen hebben. AlSi5 vloeit prettig en wordt vaak gekozen voor gietdelen of goed lasbare aluminiumtoepassingen. AlMg5 is weer gebruikelijk bij magnesiumhoudende legeringen waar sterkte en corrosiebestendigheid belangrijk zijn.
Bij aluminium draait het niet alleen om de draad. Een te strakke druk op de aandrijfrollen, een verkeerde liner of een standaard contacttip die niet goed past, geeft direct storingen. Daarom zie je in de praktijk vaak dat men voor aluminium een spool gun of push-pull systeem inzet zodra het serieuzer wordt.
Gevulde draad of flux-cored draad
Naast massieve draad bestaat er ook gevulde draad. Deze draadsoort bevat een vulling die het lasgedrag beïnvloedt en in sommige gevallen het gebruik zonder extern gas mogelijk maakt. Voor montage, buitenwerk of werk op locatie kan dat praktisch zijn, vooral wanneer windbescherming lastig is.
Daar staat tegenover dat de las meer slak kan geven, de afwerking anders is en het resultaat niet in elke toepassing mooier of sneller is dan met massieve draad en gas. Voor productiewerk binnenshuis blijft massieve draad vaak de eerste keuze. Voor buitenwerk, reparatie of minder ideale omstandigheden kan gevulde draad juist voordelen hebben.
Draaddiameter kiezen zonder giswerk
De diameter van de draad moet passen bij de plaatdikte, de gewenste afsmeltsnelheid en het bereik van de machine. Te dikke draad op dun materiaal maakt het lastiger om de warmte te beheersen. Te dunne draad op zwaarder werk beperkt je output en kan onrust geven als je buiten het optimale bereik werkt.
Voor dunner plaatwerk is 0,6 mm soms bruikbaar, maar in de praktijk is 0,8 mm voor veel werkplaatsen de meest allround maat. Voor constructiewerk en algemeen werk is 1,0 mm vaak een veilige stap als je machine voldoende vermogen heeft. Voor zwaardere secties, langere lassen en hogere inschakelduur kom je sneller richting 1,2 mm.
Daarbij geldt wel: groter is niet automatisch beter. Op een machine die vooral licht en middelhoog werk draait, presteert 0,8 of 1,0 mm vaak beter en stabieler dan een te zware draadmaat die buiten het prettige regelbereik valt.
De combinatie met beschermgas
Draad en gas horen bij elkaar. Voor staal wordt meestal gewerkt met menggas van argon en CO2, of in sommige gevallen met zuivere CO2. Menggas last doorgaans rustiger en netter. CO2 is functioneel en vaak economisch interessant, maar geeft meestal meer spatten en een wat harder boogkarakter.
Voor RVS gebruik je een gas dat geschikt is voor RVS-toepassingen. Voor aluminium is zuiver argon in veel gevallen de standaard. Ga je hier de mist in, dan kun je een prima draad hebben en toch een slecht lasbeeld krijgen.
Wie snel wil werken, doet er goed aan om draad, gas, contacttip en aandrijving als één set te zien. Problemen worden in de praktijk te vaak op de machine afgeschoven terwijl de oorzaak elders zit.
Spoeltype, verpakking en werkplaatspraktijk
Ook de spoelmaat verdient aandacht. Een kleine spoel is handig voor incidenteel gebruik, servicewagens of specifieke materialen die je niet dagelijks draait. In productie of bij regelmatig gebruik is een grotere spoel economischer en praktischer, omdat je minder vaak hoeft te wisselen.
Let ook op hoe lang draad opgeslagen ligt. Een vochtige of vervuilde draadspoel levert onrust in de aanvoer en kan direct effect hebben op het lasresultaat. Zeker bij RVS en aluminium wil je netjes werken, droog opslaan en de spoel afgedekt houden als die niet in gebruik is.
Voor bedrijven die meerdere materialen verwerken, is het verstandig om staal, RVS en aluminium niet door elkaar te laten lopen in dezelfde opstelling zonder onderdelen te wisselen. Een aparte liner of zelfs een aparte toorts is dan geen overbodige luxe.
Veelgemaakte fouten bij het kiezen van MIG lasdraad soorten
De meest voorkomende fout is kiezen op alleen prijs. Goedkopere draad kan prima voldoen, maar als de toleranties minder strak zijn of de koperlaag en winding minder constant zijn, merk je dat meteen in de draadaanvoer en de boogstabiliteit. Wat je bespaart op de spoel, lever je dan in op tijd en nabewerking.
Een tweede fout is een verkeerde match tussen draad en toepassing. Bijvoorbeeld standaard staaldraad gebruiken op verzinkt of vervuild materiaal en dan verbaasd zijn over spatten en onrust. Of aluminium willen lassen met een machine-opstelling die eigenlijk alleen op staal is ingericht.
De derde fout zit in onderschatting van de details. Versleten contacttips, verkeerde aandrijfrollen, een beschadigde liner of te veel rem op de spoel geven klachten die veel op een verkeerde draadkeuze lijken. Daarom is het slim om altijd naar het totaalplaatje te kijken.
Hoe je in de praktijk de juiste keuze maakt
Begin altijd bij drie vragen: wat is het basismateriaal, welke dikte las je het meest en werk je binnen of buiten? Daarmee valt al een groot deel af. Daarna kijk je naar de gevraagde laskwaliteit, de beschikbare gasopstelling en de capaciteit van de machine.
Voor algemeen staalwerk in de werkplaats kom je vaak uit op massieve staaldraad met menggas in 0,8 of 1,0 mm. Voor RVS kies je een draad die past bij de legering van het materiaal, met de juiste gascombinatie en schone toebehoren. Voor aluminium kijk je niet alleen naar de juiste legering, maar ook kritisch naar de draadaanvoer. Voor buitenwerk of montage kan gevulde draad interessant zijn, mits de toepassing dat toelaat.
Twijfel je tussen twee opties, kies dan niet alleen op wat technisch kan, maar op wat in jouw werkplaats het meest constant resultaat geeft. Een draad die op papier breed inzetbaar is, is niet altijd de snelste of schoonste keuze op de vloer. En juist daar zit het verschil tussen lassen dat net lukt en lassen dat vlot doorloopt.
Als je dagelijks met MIG of MAG werkt, loont het om lasdraad net zo serieus te behandelen als de machine zelf. De juiste draad bespaart tijd, voorkomt afkeur en maakt het werk simpelweg voorspelbaarder - en dat is in elke werkplaats geld waard.