Een MIG/MAG-lasapparaat kan er op het eerste gezicht prima uitzien, terwijl de draad toch hapert, slipt of volledig stilstaat. Het resultaat is een onrustige boog, poreuze lassen, vastbrandende draad of onnodig veel spatten. Met deze gids voor het oplossen van draadaanvoerproblemen werkt u systematisch van de draadhaspel naar de lastoorts. Zo vervangt u geen goede onderdelen en staat de machine sneller weer productief.
Begin bij het lasbeeld en het geluid
Draadaanvoerproblemen zijn niet altijd direct zichtbaar aan de draadaanvoerunit. Een bonkend geluid uit de toorts, wisselende booglengte of draad die tegen het werkstuk duwt, wijst vaak op weerstand verderop in het systeem. Loopt de draad juist onregelmatig maar blijft de boog nog enigszins branden, dan is slippen op de aandrijfrollen een logische eerste verdenking.
Let ook op het moment waarop de storing ontstaat. Treedt deze alleen op nadat enkele meters draad zijn gelast, dan kan warmte in de contacttip of vuil in de liner meespelen. Is de aanvoer vanaf het begin slecht, controleer dan eerst de haspelrem, de draaddiameter, de aandrijfrol en de instelling van de aandrukdruk. Een storing die alleen optreedt bij een sterk gebogen toortspakket wijst meestal op een liner die vervuild, beschadigd of verkeerd gemonteerd is.
Schakel de machine uit voordat u aandrijfrollen, liner of contacttip demonteert. Bij werkzaamheden aan de draadaanvoer voorkomt dit onverwacht starten van de motor en beschadiging van onderdelen.
Draadhaspel en haspelrem controleren
De draad moet zonder schokken van de haspel kunnen afrollen. Een te strak afgestelde haspelrem dwingt de motor harder te werken. Vooral bij een lange toorts, dunne staaldraad of aluminiumdraad merkt u dat direct. De draad kan dan bij de aandrijfrollen slippen of zich in de liner vastzetten.
Een te losse rem geeft een ander probleem: zodra u de toortsschakelaar loslaat, draait de haspel door. De draad loopt dan van de spoel af en vormt lussen of een vogelnest bij de draadaanvoerunit. Zet de rem daarom zo af dat de haspel stopt zodra de draadtransportmotor stopt, zonder dat er tijdens het lassen merkbare weerstand ontstaat.
Controleer daarnaast of de haspel correct op de adapter zit en of de draad vrij langs de geleiding naar de rollen loopt. Een spoel die scheef staat, een beschadigde haspelrand of een draad die achter een borging blijft haken veroorzaakt ook onregelmatige aanvoer. Kijk meteen naar roest, vuil en knikken in de lasdraad. Verontreinigde draad neemt vuil mee de liner in en geeft later opnieuw storingen.
Aandrijfrollen: groef, maat en druk moeten kloppen
De aandrijfrollen moeten passen bij zowel de draaddiameter als het draadtype. Voor massieve staaldraad gebruikt u doorgaans rollen met een V-groef. Voor gevulde draad zijn gekartelde rollen vaak geschikter, omdat zij meer grip geven. Bij aluminium is een U-groef nodig. Een verkeerde groef vervormt de draad, geeft onvoldoende grip of produceert metaalslijpsel dat in de liner terechtkomt.
Lees de maat op de aandrijfrol en vergelijk deze met de gebruikte draad. Een rol voor 0,8 mm draad werkt niet goed met 1,0 mm draad, ook niet wanneer de rol op het oog passend lijkt. Veel dubbelzijdige rollen hebben twee groeven. Controleer welke zijde daadwerkelijk in lijn staat met de draadgeleider.
De aandrukdruk vraagt om een praktische instelling. Staat de druk te laag, dan draait de rol door op de draad zodra er weerstand in de toorts ontstaat. Staat de druk te hoog, dan perst de rol de draad plat. De draad loopt vervolgens zwaarder door de liner en kan bij de contacttip blokkeren. Bij zachte aluminiumdraad is dit risico extra groot.
Een bruikbare controle is de draad tegen een houten blok laten lopen, met de toorts recht. De rollen moeten dan grip houden, maar bij volledige blokkade gecontroleerd kunnen slippen zonder de draad ernstig te vervormen. Gebruik hiervoor geen hard stalen voorwerp. Daarmee test u vooral hoe snel u een liner of toortsmechanisme kunt beschadigen.
Liner en draadgeleider schoon en passend houden
De liner vormt het traject tussen de draadaanvoerunit en de contacttip. Iedere vervuiling, knik of verkeerde maat verhoogt de weerstand. Bij staal wordt vaak een stalen spiraalliner gebruikt. Voor aluminium is een teflon- of kunststofliner gebruikelijk, vaak in combinatie met een speciale draadgeleider. Gebruik geen stalen liner voor aluminium: die remt de zachte draad af en kan materiaaldeeltjes meenemen.
Maak de liner los volgens de montagewijze van de toorts en controleer hem op slijtage, vuil en scherpe knikken. Blaas hem met droge, schone perslucht van de machinezijde naar buiten schoon. Oliehoudende lucht of een vuile werkplaatsleiding brengt juist nieuw vuil in de liner. Is de liner zwart van stof, voelt hij stroef aan of is hij beschadigd, vervang hem dan. Reinigen is geen oplossing voor een versleten linerwand.
De lengte van de liner is net zo bepalend. Een te korte liner sluit niet goed aan en veroorzaakt een overgang waar de draad kan blijven hangen. Een te lange liner wordt in de toorts samengedrukt en geeft extra weerstand. Knip een nieuwe liner volgens de instructie van de toorts af, monteer de contacttip pas daarna en controleer of de toortshals niet te scherp gebogen ligt.
Contacttip en toortshals uitsluiten
De contacttip is klein, maar bepaalt de laatste centimeters van de draadaanvoer. Een versleten of deels dichtgespatte tip laat de draad niet gelijkmatig door. De draad kan vastbranden in de tip, waardoor de aandrijfrollen blijven duwen en een vogelnest ontstaat bij de draadunit.
Kies altijd een contacttip die hoort bij de gebruikte draaddiameter. Voor 0,8 mm draad gebruikt u normaal een 0,8 mm tip. Bij langdurig lassen op hoge stroom kan een iets ruimere tip in sommige toepassingen helpen, maar dit hangt af van de draadlegering, de toorts en de gewenste boogstabiliteit. Een grotere tip is geen standaardoplossing voor een slechte aanvoer, omdat de elektrische overdracht dan minder nauwkeurig kan worden.
Controleer ook de gasverdeler, de tiphouder en de binnenzijde van de toortshals op lasspatten. Bij een watergekoelde toorts geldt hetzelfde principe, maar besteed extra aandacht aan de correcte montage van alle onderdelen. Draai een contacttip niet onnodig vast wanneer deze nog heet is. Beschadigde schroefdraad maakt latere wissels lastig en kan een slecht contact veroorzaken.
Specifieke aandacht voor aluminium en gevulde draad
Aluminium stelt hogere eisen aan de draadaanvoer dan staal. De draad is zacht, buigt gemakkelijk en neemt iedere fout in de instelling direct mee. Gebruik een U-groefrol, een geschikte kunststofliner en bij voorkeur een zo kort mogelijk, recht geleid toortspakket. Voor veel werkzaamheden met langere kabels biedt een push-pull-toorts of een spool gun meer zekerheid, omdat de draad dan niet alleen vanuit de machine wordt geduwd.
Gevulde draad geeft juist meer slijtage en stof in het draadaanvoersysteem. Controleer de aandrijfrollen en liner daarom vaker. Gebruik de juiste gekartelde rol, maar voorkom overmatige aandrukdruk. Te diepe karteling beschadigt de draadmantel en vult de liner sneller met resten.
Wanneer de oorzaak in de machine zit
Zijn haspel, rollen, liner en toorts in orde, kijk dan naar de draadtransportmotor en de bediening. Reageert de motor niet of loopt hij slechts af en toe, controleer dan eerst de toortsschakelaar, stekkerverbindingen en kabelbreuken in het toortspakket. Bij machines met instelbare draadsnelheid kan een vervuilde of defecte regelknop een wisselend toerental geven.
Een motor die hoorbaar draait maar de rollen niet aandrijft, kan een mechanisch probleem in de overbrenging hebben. Een motor die zwaar loopt, warm wordt of niet op gang komt, vraagt om inspectie door een vaktechnicus. Forceer de aandrijfunit niet met extra druk op de rollen. Daarmee verplaatst u het probleem en vergroot u de kans op schade aan de motor of tandwielkast.
Gids voor draadaanvoerproblemen oplossen met vaste volgorde
Werk steeds in dezelfde volgorde: controleer eerst draad en haspel, daarna de rolmaat en aandrukdruk, vervolgens liner en contacttip. Pas daarna onderzoekt u de toortsbediening en de machine zelf. Dat is sneller dan onderdelen willekeurig vervangen en voorkomt dat een nieuwe liner direct opnieuw vervuild raakt door slechte draad of een verkeerde aandrijfrol.
Leg bij terugkerende storingen vast welk draadtype, welke diameter, welke toorts en welke instellingen zijn gebruikt. In een werkplaats met meerdere machines voorkomt dat giswerk bij de volgende storing. Een set passende aandrijfrollen, liners, contacttips en draadgeleiders op voorraad houden kost weinig stilstandtijd en levert meestal meer op dan improviseren tijdens een lopende klus.
Een rustige, gelijkmatige draadaanvoer is geen detail van het lasproces. Het is de basis voor een stabiele boog en voorspelbaar laswerk. Vervang daarom een versleten slijtddeel op tijd en behandel draad, liner en toorts als één systeem.