Inhoudsopgave

TIG lassen aluminium instellingen uitgelegd

TIG lassen aluminium instellingen uitgelegd

Aluminium TIG-lassen gaat vaak mis op dezelfde punten: de boog wordt onrustig, het bad loopt ineens weg of de inbranding blijft achter. In de praktijk zit dat zelden alleen in techniek met de hand. Meestal beginnen de problemen bij de TIG lassen aluminium instellingen van de machine, gecombineerd met materiaalvoorbereiding en de juiste toortsopbouw.

Voor staal kom je met een redelijke basisinstelling vaak nog weg. Aluminium is minder vergevingsgezind. De oxidehuid smelt pas rond een veel hogere temperatuur dan het basismateriaal, warmte loopt snel weg en kleine afwijkingen in balans, frequentie of gasdekking zie je direct terug in het smeltbad. Daarom loont het om je machine niet op gevoel, maar doelgericht in te stellen.

Welke TIG lassen aluminium instellingen echt verschil maken

Bij aluminium werk je in de meeste gevallen met AC. Dat is nodig om de oxidehuid te breken en tegelijk voldoende inbranding te houden. De kerninstellingen die het gedrag van de las bepalen zijn AC-balans, AC-frequentie, lasstroom, op- en aflooptijd, puls als je die gebruikt, en natuurlijk gasdoorstroming.

De fout die vaak gemaakt wordt, is alles tegelijk veranderen. Dan weet je na twee proeflassen nog niet wat nu echt effect had. Werk daarom in deze volgorde: eerst stroomsoort en wolfraam op orde, daarna ampèrage, dan AC-balans, daarna frequentie, en pas daarna de fijne correcties zoals puls en downslope.

AC-balans

AC-balans bepaalt de verhouding tussen reinigende werking en inbranding. Meer reiniging helpt op vervuild of zwaar geoxideerd aluminium, maar kost ook puntstabiliteit op je wolfraam en kan de las breder maken. Meer penetratie geeft een strakkere boog en vaak een netter resultaat, maar als je te ver gaat, krijg je onvoldoende oxidebreking.

Voor schoon aluminium is een middengebied meestal het beste vertrekpunt. In de praktijk kom je vaak goed uit rond 65 tot 75 procent EN, afhankelijk van hoe jouw machine deze waarde weergeeft. Let daar goed op, want fabrikanten tonen balans niet altijd op dezelfde manier. Bij de ene machine stel je reiniging in, bij de andere juist penetratie. Controleer dus altijd wat de schaal precies betekent.

Zie je een matte, vuile zone die te breed rond de las ligt, dan staat de reiniging vaak te hoog of is de gasdekking niet goed. Zie je juist zwarte vervuiling in of naast de las, dan kan de reiniging te laag staan, maar net zo goed je materiaalvoorbereiding tekortschieten.

AC-frequentie

AC-frequentie bepaalt hoe geconcentreerd en strak de boog aanvoelt. Een lagere frequentie geeft een bredere, zachtere boog. Dat kan prettig zijn op dikker materiaal of als je een wat ruimere smeltzone wilt. Een hogere frequentie maakt de boog scherper en beter te sturen, vooral bij hoeknaden, dunner materiaal en werk waar je controle belangrijker vindt dan pure opbouwsnelheid.

Als praktische startwaarde zit je vaak goed tussen 80 en 120 Hz. Voor algemeen werk op plaat en koker is dat een bruikbaar gebied. Ga je te laag, dan voelt de boog soms lui en minder precies. Ga je te hoog, dan wordt de boog wel strak, maar niet iedere machine en toortsopstelling blijft dan even rustig lopen. Het hangt dus ook af van je apparatuur en de lengte van je lastoortsset.

Ampèrage en stroomregeling

Te weinig stroom is bij aluminium net zo problematisch als te veel. Bij te lage stroom blijf je warmte inbrengen zonder echt een stabiel bad te krijgen. Dan ga je lang hangen op het werkstuk, warmt alles op en krijg je alsnog vervorming of vervuiling. Met te veel stroom zakt het bad te snel weg, vooral op randen en dunnere plaat.

Als grove richtlijn rekenen veel lassers ongeveer 35 tot 45 ampère per millimeter materiaaldikte, maar dat blijft een vertrekpunt. Een stompe naad op dikke plaat vraagt iets anders dan een hoeklas op 2 mm. Ook de warmteopbouw tijdens langere lassen speelt mee. Een voetpedaal of goede stroomregeling op de toorts is daarom geen luxe bij aluminium, maar gewoon praktisch gereedschap.

Instellingen rond de lasboog: gas, wolfraam en toorts

Goede machine-instellingen werken alleen als de rest klopt. Aluminium reageert direct op slechte afscherming of een verkeerde puntgeometrie.

Gas en gasdoorstroming

Zuiver argon is voor de meeste TIG-laswerken op aluminium de standaard. Gasdoorstroming zit vaak goed rond 7 tot 10 liter per minuut bij normaal werk, maar dat is geen vaste wet. Een grotere keramische cup, een gaslens, tocht in de werkplaats of een langere stick-out vragen om bijstelling.

Te weinig gas geeft een onrustige las en vervuiling. Te veel gas is ook niet goed, omdat turbulentie de bescherming juist kan verstoren. Wie dan nog meer liters geeft, maakt het probleem soms groter in plaats van kleiner. Controleer dus niet alleen de flowmeter, maar ook slangen, koppelingen, cupmaat en eventuele tocht rondom de werkplek.

Wolfraamkeuze en slijpvorm

Voor AC op aluminium worden vandaag veel lanthaanhoudende wolfraamelektroden gebruikt. Die starten goed, blijven stabiel en zijn breed inzetbaar. De oude gewoonte om puur wolfraam te nemen zie je nog, maar in de werkplaats wordt vaak gekozen voor moderne varianten die net wat consistenter lopen.

De punt hoeft niet als een perfecte naald voor staal te worden geslepen, maar ook geen grote bol meer te zijn. Een licht stompe, nette punt werkt op veel moderne AC-machines prima. Belangrijker is dat de punt schoon blijft en de diameter past bij de stroom. Een te dunne elektrode raakt overbelast, een te dikke kan log aanvoelen op lichter werk.

Toortsopbouw en cupmaat

Een gaslens helpt vaak om de afscherming rustiger te maken en geeft meer speelruimte in toortshoek en uitsteken van de wolfraam. Zeker bij hoeknaden en lastig bereikbare plekken is dat merkbaar. Gebruik je een te kleine cup of steekt de elektrode te ver uit zonder stabiele gasdekking, dan krijg je snel vervuiling en een nerveuze boog.

Startinstellingen per materiaaldikte

Voor 1,5 tot 2 mm aluminium plaat kun je vaak beginnen met AC, 55 tot 80 ampère, frequentie rond 100 Hz, een middenstand in AC-balans en argon rond 7 tot 8 liter per minuut. Werk met korte booglengte en voeg vlot toe, anders loopt de warmte snel op.

Bij 3 mm materiaal kom je eerder uit rond 90 tot 130 ampère. Daar kun je wat meer spelen met frequentie en balans, afhankelijk van naadvorm en gewenste inbranding. Op dikker aluminium loopt de stroom verder op, maar dan worden voorverwarmen, goede hechtlassen en constante draadtoevoer ook belangrijker.

Zie dit niet als vaste tabel. Gietaluminium, vervuilde werkstukken, dikke massieve delen of combinaties van dun en dik in één verbinding vragen altijd om correctie. De beste instelling is de instelling die op jouw materiaal een rustig bad geeft met controle, niet de instelling die ergens als standaard wordt genoemd.

Veelgemaakte fouten bij TIG aluminium

De grootste fout is onvoldoende reinigen. Aluminium moet mechanisch en chemisch schoon zijn voordat je begint. Vet, oxide en vervuiling verstoren de boog en trekken direct in je lasbeeld. Een aparte roestvaststalen borstel voor aluminium is geen detail, maar basiswerk.

Een tweede fout is te lang op één plek warmte inbrengen voordat het bad opent. Daardoor warm je het hele deel op en verlies je controle zodra het materiaal eindelijk smelt. Beter is voldoende stroom gebruiken, kort en gericht werken, en de warmte met je pedaal of regeling beheersen.

Ook de draadtoevoer gaat vaak mis. Voeg je te traag toe, dan oxideert de punt van het toevoegmateriaal buiten de gaswolk. Voeg je onregelmatig toe, dan krijg je een onrustig rupsbeeld. Houd de draad dus binnen de gasbescherming en werk met een ritme dat past bij het bad.

Wanneer puls zin heeft en wanneer niet

Puls kan helpen op dun aluminium, zichtwerk of toepassingen waar je warmte-inbreng strakker wilt controleren. Je krijgt dan meer ritme in het smeltbad en kunt nauwkeuriger doseren. Zeker voor minder ervaren TIG-lassers geeft dat soms rust.

Maar puls is geen oplossing voor verkeerde basisinstellingen. Als balans, gas of materiaalvoorbereiding niet klopt, maakt puls dat niet goed. In veel werkplaatssituaties op standaard plaatwerk is een stabiele AC-instelling zonder puls sneller en eenvoudiger.

Instellen in de praktijk blijft proeflassen

De juiste TIG lassen aluminium instellingen hangen altijd samen met machine, materiaal, naadvorm en werkwijze. Een inverter met uitgebreide AC-regeling reageert anders dan een eenvoudiger toestel. De ene toortsopbouw vraagt iets meer gas, de andere juist minder. Daarom is proeflassen op een stuk restmateriaal geen tijdverlies, maar de snelste route naar een nette las.

Werk systematisch. Verander één parameter tegelijk en kijk niet alleen naar het uiterlijk van de rups, maar ook naar boogstabiliteit, breedte van de reinigingszone, inbranding en gedrag van de wolfraampunt. Dan zie je snel of je de goede kant op gaat.

Wie regelmatig aluminium last, heeft er baat bij om voor terugkerend werk een paar vaste basisinstellingen te noteren per dikte en toepassing. Dat scheelt tijd aan de machine en maakt het resultaat constanter. Heb je daarbij goed materiaal, passende slijtdelen en een betrouwbare gasopbouw nodig, dan is een specialistische leverancier zoals Weldingshop.nl vooral handig omdat je machine, toortsdelen, wolfraam, toevoegmateriaal en gascomponenten in één keer op elkaar kunt afstemmen.

Een nette aluminiumlas begint niet bij een mooi frontpaneel vol functies, maar bij instellingen die logisch zijn voor het werk dat voor je ligt.