Inhoudsopgave

Gids voor laskabel doorsnede en kabellengte

Gids voor laskabel doorsnede en kabellengte

Een laskabel die te dun is, merkt u niet alleen aan een warme kabel. De boog start minder strak, de lasmachine levert minder effectief vermogen en aansluitingen kunnen onnodig heet worden. Met deze gids voor laskabel doorsnede kiest u een kabel die past bij de lasstroom, de werkafstand en de manier waarop u werkt.

Bij een korte massakabel voor incidenteel werk is de marge anders dan bij een lange elektrodehouderkabel op een staalconstructie. Daarom bestaat er geen enkele doorsnede die altijd goed is. De juiste keuze begint bij de volledige stroomkring.

Waarom de doorsnede van een laskabel telt

Een laskabel transporteert hoge stroomsterktes bij een relatief lage spanning. Elke meter kabel heeft weerstand. Hoe langer de kabel en hoe kleiner de koperen geleider, hoe groter het spanningsverlies. Dat verlies komt vrij als warmte en zorgt ervoor dat er minder spanning beschikbaar is bij de lastoorts of elektrodehouder.

In de praktijk merkt u dat vooral bij hogere instellingen. Een MIG/MAG-machine die op een lange, te dunne verlengkabel of laskabel werkt, kan een minder stabiele boog geven. Bij elektrode lassen kan het ontsteken lastiger worden en kan de elektrode vaker vastplakken. Ook bij TIG is een goede stroomoverdracht nodig, al zijn de stroomsterktes daar vaak lager.

Kies dus niet uitsluitend op basis van de maximale ampèrage op het typeplaatje van de machine. De werkelijke kabellengte, het lasproces, de inschakelduur en de omgeving bepalen mee wat verantwoord is.

Gids voor laskabel doorsnede: de vier bepalende factoren

1. Lasstroom en maximaal vermogen

De lasstroom is het eerste uitgangspunt. Een kabel voor 160 A hoeft niet dezelfde doorsnede te hebben als een kabel voor 300 A of 400 A. Bij hogere stroom neemt de warmteontwikkeling snel toe wanneer de kabel te licht is uitgevoerd.

Let ook op piekbelasting. Een machine die meestal op 140 A draait maar geregeld op 200 A wordt gebruikt, vraagt om een kabel die die hogere belasting aankan. Zeker wanneer u productiewerk uitvoert, is een kleine reserve verstandiger dan precies op de grens kiezen.

2. Totale lengte van heen- en terugweg

Bij lassen loopt de stroom niet alleen door de kabel naar de toorts of elektrodehouder, maar ook via de massakabel terug naar de machine. Een set met 10 meter lastang- of toortskabel en 10 meter massakabel heeft dus 20 meter stroomweg.

Dat wordt vaak onderschat. Een kabeldoorsnede die bij 3 meter prima functioneert, kan bij 15 meter merkbaar spanningsverlies veroorzaken. Werkt u regelmatig op locatie, aan trailers, hekwerken, leidingen of grote constructies? Reken dan met de langste kabelopstelling die u daadwerkelijk gebruikt, niet met de standaardkabel die bij de machine werd geleverd.

3. Inschakelduur

Inschakelduur geeft aan hoe lang u binnen een periode met een bepaalde stroom kunt lassen voordat de machine of kabel moet afkoelen. Bij korte hechtlassen krijgt een kabel minder lang thermische belasting dan bij doorlassen in zwaar constructiewerk.

Voor incidenteel onderhoudswerk kan een passende standaarddoorsnede voldoende zijn. Voor seriewerk, dikke plaat, lang doorlassen of gutsen is een zwaardere kabel vaak de betere keuze. De kabel blijft koeler, de isolatie wordt minder belast en de stroomoverdracht blijft consistenter.

4. Omstandigheden in de werkplaats of buiten

Een kabel die op een werkbank ligt, heeft het makkelijker dan een kabel die in de zon, tussen staalresten of door een bouwplaats loopt. Hoge omgevingstemperatuur, opgerolde kabels en beschadigde mantelafwerking verhogen het risico op warmteophoping.

Rol een laskabel daarom zo veel mogelijk af voordat u op hoge stroom werkt. Een kabel op een haspel of strak opgerold pakket kan zijn warmte slecht kwijt. Controleer bovendien of de kabel soepel blijft en of de isolatie geen scheuren, brandplekken of platte delen vertoont.

Richtwaarden voor veelgebruikte kabeldoorsneden

Onderstaande waarden zijn praktische richtwaarden voor flexibele koperen laskabels bij normaal gebruik. De juiste keuze kan afwijken door kabellengte, inschakelduur, fabrikantvoorschrift en werkomstandigheden.

| Kabeldoorsnede | Gebruikelijke toepassing |
|---|---|
| 16 mm² | Licht laswerk, grofweg tot 160 A bij korte kabels |
| 25 mm² | Veelgebruikte maat voor circa 160-200 A en beperkte lengtes |
| 35 mm² | Geschikt voor zwaarder werk rond 200-250 A of langere kabels |
| 50 mm² | Voor circa 250-300 A, intensiever werk of langere kabelsets |
| 70 mm² | Zwaar laswerk, hoge stroom of lange afstanden |
| 95 mm² en groter | Industriële toepassingen, zeer hoge stroom en lange kabeltrajecten |

Gebruik deze tabel niet als vervanging voor de specificaties van uw lasmachine, lastoorts, elektrodehouder en laskabel. Het zwakste onderdeel bepaalt uiteindelijk wat de set veilig aankan. Een 50 mm² kabel op een lichte massaklem of een te kleine kabelkoppeling lost het probleem niet op.

Massakabel en laskabel moeten bij elkaar passen

De massakabel wordt soms als bijzaak behandeld, maar vormt de helft van het circuit. Een te dunne, te lange of slecht aangesloten massakabel geeft dezelfde nadelen als een onderschatte toortskabel. Kies de massakabel daarom minimaal gelijkwaardig aan de laskabel. Bij lange sets of zwaar werk is dezelfde doorsnede doorgaans de logische keuze.

De massaklem verdient evenveel aandacht. De bek moet schoon, veerkrachtig en voldoende groot zijn voor de te voeren stroom. Roest, verf, walshuid en een losse klem verhogen de overgangsweerstand. Plaats de massaklem zo dicht mogelijk bij het laspunt, op blank en schoon metaal. Daarmee beperkt u spanningsverlies en voorkomt u dat stroom onverwachte routes door lagers, scharnieren of machineonderdelen zoekt.

Kijk verder dan alleen mm²

De doorsnede zegt veel, maar niet alles. Een laskabel moet ook mechanisch passen bij het werk. Een zeer dikke kabel kan zwaar en minder handelbaar zijn, vooral bij montagewerk, lassen op hoogte of veel verplaatsen. Een iets lichtere kabel met een kortere lengte kan dan praktischer zijn dan een extreem zware kabel die continu in de weg ligt.

Let bij vervanging of uitbreiding ook op de kabelklasse en mantel. Flexibele, fijnaderige koperen laskabel is bedoeld om vaak te bewegen. Gebruik geen willekeurige installatiekabel als laskabel. Die is doorgaans minder soepel en niet gemaakt voor de combinatie van hoge stroom, mechanische belasting en laswerkzaamheden.

Controleer daarnaast de aansluitingen. Kabelschoenen, Dinse-stekkers, kabelkoppelingen en krimpaansluitingen moeten passen bij zowel de kabeldoorsnede als de stroomklasse. Een slecht gekrompen kabelschoen of geoxideerde aansluiting kan lokaal zo heet worden dat de isolatie beschadigt, ook als de kabel zelf ruim voldoende gedimensioneerd is.

Wanneer kiest u bewust een grotere doorsnede?

Opschalen is verstandig wanneer u lange kabels gebruikt, vaak dicht tegen het maximale vermogen van de machine last of werk uitvoert met een hoge inschakelduur. Ook wanneer de machine op afstand van het werkstuk moet blijven staan, bijvoorbeeld in een loods, op een scheepsdek of bij constructiewerk buiten, is extra doorsnede meestal goedkoper dan storingen en kwaliteitsverlies tijdens het werk.

Een grotere doorsnede geeft minder spanningsverlies en een koelere kabel, maar kost meer en is zwaarder in gebruik. Voor een compacte 140 A inverter met kabels van 3 meter is 50 mm² meestal onnodig. Voor een 300 A MIG/MAG-installatie met 10 meter kabels is bezuinigen op de kabel juist een verkeerde besparing.

Praktische controle voordat u gaat lassen

Voel tijdens veilig gebruik af en toe aan kabels, stekkers en klemmen. Ze mogen bij belasting niet opvallend heet worden. Schakel de machine uit voordat u aansluitingen inspecteert. Ziet u verkleuring, gesmolten isolatie, losse aders of een harde kabelmantel, vervang of herstel het onderdeel direct.

Houd kabels weg van scherpe plaatranden, hete lasnaden, slijpspatten en rijroutes. Een kabel die technisch correct is gekozen, gaat alleen lang mee wanneer de mantel en aansluitingen ook heel blijven. Bij Weldingshop.nl vindt u laskabel, massaklemmen, elektrodehouders, Dinse-aansluitingen en passende toebehoren om een bestaande kabelset gericht te vervangen of uit te breiden.

De beste keuze is uiteindelijk de kabel die bij uw zwaarste normale werk past, zonder dat hij onnodig onhandelbaar wordt. Meet de werkafstand, tel heen- en terugweg mee en kies liever één stap zwaarder wanneer stroom, lengte en inschakelduur daar aanleiding toe geven.