Als je tijdens TIG-lassen merkt dat je smeltbad te breed wordt, je warmte-inbreng oploopt of dun materiaal sneller vervormt dan je wilt, dan kom je vanzelf bij puls uit. De vraag hoe stel je TIG puls correct in, gaat in de praktijk niet over één perfecte stand. Het gaat om de juiste combinatie van piekstroom, basisstroom, pulsfrequentie en pulsverhouding voor jouw materiaal, dikte en lassituatie.
Hoe stel je TIG puls correct in bij praktisch laswerk?
Puls is bedoeld om de boog periodiek te laten schakelen tussen een hogere en een lagere stroom. Tijdens de piekstroom smelt je in en bouw je je smeltbad op. Tijdens de basisstroom houd je het bad onder controle zonder dat de boog helemaal wegvalt. Daardoor kun je gerichter lassen, vooral op dun RVS, dun staal en in veel gevallen ook aluminium.
Dat klinkt simpel, maar in de werkplaats zie je vaak twee fouten. De eerste is dat puls wordt aangezet zonder duidelijk doel. De tweede is dat alle waarden tegelijk worden veranderd. Dan weet je achteraf nog niet welke instelling het verschil maakte. Beter is om eerst je machine zonder puls goed neer te zetten en daarna pas puls stap voor stap toe te voegen.
Begin altijd zonder puls
Zet eerst je basismateriaal, wolfraam, gas, cupmaat en hoofdamperage goed. Als de boog zonder puls al onrustig is, gaat puls dat zelden oplossen. Een vervuilde punt, verkeerde gasflow of te lange stick-out blijft ook met puls gewoon een probleem.
Heb je een stabiele basis, dan kun je bepalen waarom je puls wilt gebruiken. Meestal is dat één van drie dingen: minder warmte-inbreng, meer controle op dun materiaal, of een strakkere rupsvorm. Dat doel bepaalt direct hoe agressief of juist hoe mild je pulsinstelling moet zijn.
De vier instellingen die echt tellen
Op de meeste TIG-machines kom je in de pulsfunctie ongeveer dezelfde parameters tegen, al verschilt de benaming per merk. De kern blijft gelijk.
Piekstroom
De piekstroom is het hoge deel van de puls. Hier vindt de echte inbranding plaats. In veel gevallen ligt die dicht bij de stroom die je zonder puls ook zou gebruiken. Las je bijvoorbeeld dun RVS normaal rond 65 ampère, dan kan je piekstroom daar in de buurt blijven.
Zet je de piekstroom te laag, dan krijg je een koud en onzeker bad. Zet je hem te hoog, dan win je wel inbranding maar verlies je controle en neem je lokaal juist meer warmte mee. Vooral op hoeknaden in dun materiaal zie je dan snel doorzakken of scherpe randinsmelting.
Basisstroom
De basisstroom is het lage deel tussen de pieken. Deze instelling wordt vaak onderschat. Hij moet laag genoeg zijn om het bad te laten afkoelen, maar hoog genoeg om de boog stabiel te houden. Als vuistregel zit de basisstroom vaak ergens tussen 20 en 50 procent van de piekstroom.
Bij heel dun materiaal werkt een lagere basisstroom vaak prettig omdat je warmte duidelijk terugvalt. Bij iets dikker werk of als je sneller wilt voortbewegen, kan een wat hogere basisstroom juist rustiger lassen. Te laag geeft een nerveuze boog en een bad dat steeds opnieuw lijkt te moeten starten. Te hoog maakt van puls eigenlijk bijna continu lassen met weinig effect.
Pulsfrequentie
De frequentie bepaalt hoe vaak per seconde de machine schakelt tussen piek en basis. Hier zie je in de praktijk het grootste verschil in toepassing.
Lage pulsfrequentie, bijvoorbeeld 0,5 tot 2 Hz, gebruik je als je het ritme echt wilt zien. Dat werkt prettig voor handmatig toevoegen van toevoegmateriaal op dun plaatwerk of zichtwerk. Je kunt dan letterlijk op de piek meegeven.
Middengebied, grofweg 2 tot 10 Hz, geeft meer controle en een strakker bad zonder dat het volledig visueel vervaagt. Veel lassers vinden dit een bruikbaar bereik voor algemeen werk in RVS en staal.
Hoge frequentie, vanaf pakweg 30 Hz en hoger, wordt vaak gebruikt om de boog strakker te maken en de warmte sterker te concentreren. Dat kan nuttig zijn, maar het is geen wondermiddel. Op sommige machines voelt het messcherp en direct, op andere juist minder vergevingsgezind. Het hangt ook af van je hand, materiaal en machinekwaliteit.
Pulsverhouding of duty cycle
Dit is de verhouding tussen de tijd op piekstroom en de tijd op basisstroom. Een veelgebruikte startwaarde is 30 tot 50 procent piektijd. Bij een korte piektijd beperk je de warmte-inbreng, maar blijft de boog wel actief genoeg om door te lassen.
Meer piektijd geeft meer inbranding en een vloeiender bad, maar ook meer totale warmte. Minder piektijd is gunstig op dun materiaal, maar kan de las onrustig maken als de piekstroom of basisstroom niet goed meeloopt.
Praktische startpunten per toepassing
Wie zoekt op hoe stel je TIG puls correct in, wil meestal geen theorie maar een werkbaar beginpunt. Onderstaande waarden zijn geen vaste regel, wel bruikbare startsituaties.
Dun RVS plaatwerk
Bij dun RVS, bijvoorbeeld 1 tot 1,5 mm, kun je beginnen met een piekstroom rond je normale lasstroom, een basisstroom op 25 tot 35 procent, een frequentie van 1 tot 2 Hz en een piektijd rond 35 procent. Dat geeft een zichtbaar ritme en houdt de warmte redelijk beperkt.
Werk je op zichtnaden waar vervorming snel zichtbaar wordt, dan helpt een lagere basisstroom vaak meer dan een extreem hoge frequentie. Je voelt dan duidelijker dat het materiaal tussendoor rust krijgt.
Staal van gemiddelde dikte
Bij constructiestaal van bijvoorbeeld 2 tot 4 mm is puls lang niet altijd nodig. Als je hem toch gebruikt voor badcontrole of een gelijkmatigere rups, kun je denken aan een basisstroom van 35 tot 50 procent, frequentie 2 tot 5 Hz en een normale piekstroom. Hier moet puls vooral ondersteunen, niet compenseren voor een verkeerde techniek.
Aluminium TIG AC met puls
Op aluminium kan puls nuttig zijn om het bad compacter te houden, zeker op dunnere delen. Maar hier spelen ook AC-frequentie en AC-balans mee. Daardoor wordt afstellen gevoeliger. Begin bescheiden: piekstroom op je normale werkpunt, basisstroom rond 30 tot 40 procent, pulsfrequentie laag tot midden en pas daarna fijnregelen.
Als je op aluminium te veel tegelijk verandert - dus AC-balans, AC-frequentie én puls - raak je snel het overzicht kwijt. Eerst een stabiele AC-instelling, dan pas puls toevoegen.
Veelgemaakte fouten bij TIG puls
De meest voorkomende fout is denken dat meer puls automatisch beter is. Een hogere frequentie klinkt geavanceerd, maar is niet voor elke las de beste keuze. Zeker bij handmatig werk op dun plaatmateriaal kan een lage, zichtbare puls juist meer controle geven.
Een andere fout is een te hoge basisstroom. Dan lijkt het alsof puls weinig doet, behalve dat de machine anders klinkt. Je houdt dan vrijwel dezelfde warmte-inbreng als zonder puls. Andersom kan een te lage basisstroom de boog instabiel maken, vooral als je toortshoek of afstand niet constant is.
Ook zie je vaak dat lassers hun loopsnelheid niet aanpassen. Met puls verander je het gedrag van het smeltbad. Als je exact hetzelfde tempo blijft aanhouden als zonder puls, krijg je soms een te grove rups of juist onvoldoende inbranding. Je moet dus niet alleen aan de knop draaien, maar ook aan je handtempo.
Zo stel je TIG puls systematisch af
De snelste manier om tot een bruikbare instelling te komen is werken in een vaste volgorde. Zet eerst je gewone TIG-instelling goed. Schakel daarna puls in en laat de piekstroom gelijk aan je normale lasstroom. Stel vervolgens de basisstroom in op ongeveer een derde van de piekstroom. Kies een lage frequentie, bijvoorbeeld 1 tot 2 Hz, en een piektijd van rond 35 tot 40 procent.
Maak dan een korte proeflas. Let niet alleen op het uiterlijk van de rups, maar vooral op badcontrole, vervorming, inbranding en hoe rustig de boog aanvoelt. Wil je minder warmte, verlaag dan eerst de basisstroom of verkort de piektijd. Wil je een strakker en sneller bad, verhoog dan stap voor stap de frequentie. Verander steeds maar één parameter tegelijk.
Voor werkplaatsen die regelmatig dezelfde materialen lassen, loont het om instellingen per materiaalsoort en dikte te noteren. Dat scheelt tijd en voorkomt dat iedereen opnieuw moet zoeken. Zeker bij machines met geheugenstanden is dat praktisch. Bij een specialist als Weldingshop.nl zie je ook dat de keuze van de machine meespeelt: een duidelijk instelbaar pulsprogramma werkt in de praktijk sneller en voorspelbaarder dan een machine met beperkte of onlogische menustructuur.
Wanneer gebruik je beter géén puls?
Niet elke las wordt beter van puls. Op dikker materiaal waar je gewoon productief meters wilt maken, is continu lassen vaak sneller en rustiger. Ook als je laspositie, materiaalvoorbewerking of gasafscherming niet op orde is, heeft puls weinig zin. Dan los je een basisprobleem niet op, maar maak je de instelling alleen complexer.
Voor beginnende TIG-lassers kan puls op dun materiaal juist helpen, maar alleen als de basis van toortsvoering en toevoegtechniek al redelijk onder controle is. Anders wordt het nog een extra variabele om mee te worstelen.
Wie TIG puls goed wil instellen, moet dus niet zoeken naar één universeel getal, maar naar een logische opbouw. Begin eenvoudig, test gericht en laat de las bepalen wat nodig is. Dan wordt puls geen knop voor de sier, maar een instelling waar je in de werkplaats echt wat aan hebt.