Inhoudsopgave

Hoe stel je een TIG-lasapparaat goed in?

Hoe stel je een TIG-lasapparaat goed in?

Een TIG-las die grijs uitslaat, wegbrandt of onvoldoende inbrandt, begint vaak niet bij uw handvaardigheid maar bij de machine-instelling. Wie zich afvraagt: hoe stel je een TIG-lasapparaat in, moet eerst kijken naar materiaal, plaatdikte, laspositie en de gewenste afwerking. TIG-lassen geeft veel controle, maar alleen wanneer stroom, gas, wolfraam en toorts goed op elkaar zijn afgestemd.

Begin met materiaal en laswerk

Staal en RVS last u normaal gesproken met gelijkstroom, dus DC. De toorts sluit u daarbij meestal aan op de minpool en de massaklem op de pluspool. Dit is DCEN, oftewel Direct Current Electrode Negative. De meeste warmte komt dan in het werkstuk terecht, waardoor u voldoende inbranding krijgt zonder dat de wolfraamelektrode onnodig heet wordt.

Aluminium vraagt een andere instelling. Hiervoor gebruikt u wisselstroom, AC. De oxidehuid op aluminium smelt pas bij een veel hogere temperatuur dan het basismateriaal. De positieve helft van de wisselstroom helpt deze oxidelaag te reinigen, terwijl de negatieve helft voor inbranding zorgt. Een TIG-apparaat met AC/DC-functie is daarom nodig voor serieus aluminiumwerk.

Bepaal daarna de plaatdikte en de lasvorm. Een stompe naad in 2 mm RVS heeft minder vermogen nodig dan een hoeklas in 3 mm staal. Ook de warmteafvoer telt mee: een klein onderdeel warmt snel op, terwijl een zwaar frame veel warmte wegtrekt. Zie ingestelde amperes daarom als een startwaarde, niet als een vast recept.

Hoe stel je een TIG-lasapparaat in per materiaal?

Voor dun staal of RVS van circa 1 mm begint u vaak tussen 35 en 55 ampère. Bij 2 mm ligt een bruikbare startwaarde meestal rond 70 tot 90 ampère. Voor 3 mm materiaal is 100 tot 130 ampère gebruikelijk, afhankelijk van de naadvorm en of u met of zonder toevoegmateriaal last.

Bij aluminium ligt de benodigde stroom doorgaans hoger. Voor 2 mm aluminium kunt u bijvoorbeeld rond 80 tot 110 ampère starten. Voor 3 mm is 120 tot 150 ampère een gangbaar uitgangspunt. Aluminium geleidt warmte snel, waardoor een instelling die op een proefstuk goed werkt tijdens een lange las soms te laag wordt. Geef de machine dan iets meer vermogen of gebruik een voetpedaal om tijdens het lassen bij te regelen.

Wie zonder voetpedaal werkt, kan de maximale lasstroom op het apparaat instellen en met de toortsschakelaar starten. Een voetpedaal biedt meer controle bij dun plaatwerk, wisselende naden en aluminium. U kunt de stroom rustig opbouwen bij de start en terugnemen wanneer het werkstuk opwarmt.

Startstroom, aflooptijd en nastroom

Stel de startstroom laag in, bijvoorbeeld 10 tot 20 ampère. Dat voorkomt een harde start en maakt het eenvoudiger om een smeltbad te vormen zonder het materiaal direct weg te branden. De oplooptijd mag kort zijn, vaak 0,2 tot 0,5 seconde. Bij zeer dun materiaal kan een iets langere opbouw rustiger werken.

De aflooptijd is vooral belangrijk bij staal en RVS. Laat de stroom niet abrupt stoppen, maar bouw deze in ongeveer 1 tot 3 seconden af. Daarmee vult u de eindkrater gecontroleerd en verkleint u de kans op een scheur aan het einde van de las.

De gasnastroom beschermt de hete wolfraam en het afkoelende lasbad. Reken als basis op ongeveer 5 tot 8 seconden bij lagere stroomsterktes en 8 tot 12 seconden bij hoger ampèrage. Is de wolfraam na het lassen blauw of grijs, dan is de nastroom vaak te kort, de gasdekking onvoldoende of trekt u de toorts te snel weg.

Kies het juiste beschermgas en debiet

Voor TIG-lassen van staal, RVS en aluminium gebruikt u normaal gesproken zuiver argon. Een gasmengsel dat geschikt is voor MIG/MAG is niet automatisch geschikt voor TIG. Het verkeerde gas geeft een onrustige boog, vervuiling en een lasbeeld dat niet schoon blijft.

Als uitgangspunt stelt u het gasdebiet meestal in op 6 tot 8 liter per minuut. In een tochtvrije werkplaats en met een kleine gaslens kan 5 tot 7 liter voldoende zijn. Bij een grotere keramische cup, hogere stroomsterkte of lichte luchtverplaatsing kunt u naar 8 tot 10 liter per minuut gaan.

Meer gas is niet altijd beter. Een te hoog debiet veroorzaakt turbulentie, waardoor omgevingslucht juist bij het lasbad kan komen. Ziet u verkleuring op RVS, controleer dan eerst de cup, gaslens, slang, aansluitingen en tocht voordat u de reduceerventiel verder opendraait. Voor doorlassen van RVS buis of gesloten profielen is vaak ook formeergas aan de achterzijde nodig. Zonder backing gas oxideert de wortel en verliest de las corrosiebestendigheid.

Wolfraamelektrode, cup en toevoegmateriaal

De wolfraamelektrode moet passen bij de stroomsoort en het lasvermogen. Voor DC op staal en RVS zijn moderne lanthaan- of ceriated elektroden breed inzetbaar. Voor AC-aluminium werken lanthaan-elektroden eveneens goed op moderne invertermachines. Een groene, zuivere wolfraam wordt nog gebruikt, maar is minder universeel.

Een elektrode van 1,6 mm is geschikt voor fijn werk en lagere stromen. Bij ongeveer 80 tot 150 ampère is 2,4 mm vaak de praktische keuze. Voor zware aluminiumklussen en hogere stroomsterktes kan 3,2 mm nodig zijn. Gebruik een te dunne wolfraam niet boven zijn bereik: de punt raakt oververhit, vervormt en maakt de boog onstabiel.

Slijp de wolfraam voor DC in de lengterichting tot een scherpe, gelijkmatige punt. Slijpsporen rondom de elektrode zorgen voor een onrustiger boog. Voor AC op aluminium kunt u starten met een licht afgeronde punt. Bij moderne AC-inverters vormt de elektrode tijdens het lassen vaak zelf een kleine, stabiele bolling.

De keramische cup moet groot genoeg zijn om het gas goed over het lasbad te verdelen, maar niet zo groot dat u onnodig veel gas nodig heeft of zicht verliest. Een gaslens geeft een rustiger gasstroom en maakt een iets langere elektrode-uitsteek mogelijk. Dat is handig in hoeken en bij lastig bereikbare naden.

Gebruik toevoegmateriaal dat bij het basismateriaal past. Voor ongelegeerd staal kiest u een staaltoevoegdraad, voor RVS een passende RVS-draad en voor aluminium een geschikte aluminiumlegering. Houd de draad altijd binnen de gasbescherming. Steekt u de draad ver buiten de gasmantel, dan oxideert de punt en neemt u die vervuiling mee het smeltbad in.

AC-balans en frequentie bij aluminium

Bij een AC/DC TIG-lasapparaat zijn AC-balans en AC-frequentie instellingen die het verschil kunnen maken. De AC-balans bepaalt grofweg de verhouding tussen reiniging en inbranding. Meer reiniging helpt bij een vuile of sterk geoxideerde aluminiumhuid, maar verwarmt de wolfraam extra en vermindert de inbranding.

Begin bij schoon aluminium met een gemiddelde instelling, vaak rond 65 tot 75 procent EN, afhankelijk van hoe uw machine de balans weergeeft. Gebruik alleen meer reiniging als u dat daadwerkelijk nodig heeft. Maak aluminium vooraf mechanisch schoon en ontvet het materiaal. Een juiste voorbereiding is effectiever dan de machine compenseren voor vuil werk.

Een hogere AC-frequentie geeft een smallere, beter gerichte boog. Dat is bruikbaar voor dun materiaal, hoeken en nauwkeurig werk. Een lagere frequentie geeft een breder smeltbad en kan prettig zijn bij dikkere delen. De standaardinstelling van de machine is voor veel werk een goed vertrekpunt.

Puls gebruiken waar het voordeel oplevert

Puls-TIG is geen verplichte instelling. Bij normaal constructiewerk op staal of dikkere delen kunt u vaak sneller en rustiger lassen zonder puls. Puls is vooral nuttig bij dun RVS, zichtwerk, kleine onderdelen en situaties waarin u warmte-inbreng wilt beperken.

Start met een lage pulsfrequentie van ongeveer 1 tot 2 Hz als u het ritme van het smeltbad wilt volgen. Stel de basisstroom in op circa 30 tot 50 procent van de piekstroom. Een piekstroom van 70 ampère met een basisstroom van 30 ampère is bijvoorbeeld een bruikbare start voor dun plaatwerk. Hogere pulsfrequenties geven minder een zichtbaar ritme en worden vooral gebruikt om het smeltbad compacter te houden.

Maak altijd eerst een proeflas

Stel de machine in op basis van de richtwaarden, maar beoordeel vervolgens het resultaat op een proefstuk van hetzelfde materiaal. De boog moet rustig starten, het smeltbad moet goed controleerbaar zijn en de las moet aan beide kanten van de naad voldoende inbranden. Bij RVS blijft een goede las zo licht mogelijk van kleur, mits gasdekking en warmte-inbreng kloppen.

Brandt u door het materiaal heen, verlaag dan de stroom, verkort de booglengte en verhoog eventueel de lassnelheid. Krijgt u onvoldoende inbranding, verhoog dan de stroom of bereid de naad beter voor. Een zwabberende boog wijst vaak op een vervuilde wolfraam, verkeerde slijpvorm, te lange elektrode-uitsteek of slechte massaverbinding.

Raakt de wolfraam het lasbad of toevoegmateriaal, stop dan en slijp de punt opnieuw. Doorgaan met een vervuilde wolfraam kost tijd en levert een slechte las op. Zorg ook dat slangen, reduceerventiel, gaslens, cups en slijpmateriaal in orde zijn. Een goed ingesteld TIG-lasapparaat werkt alleen zo nauwkeurig als de onderdelen eromheen.

Neem voor elke nieuwe materiaaldikte een paar minuten voor een proeflas. Die kleine voorbereiding bespaart herstelwerk, toevoegmateriaal en frustratie aan de werkbank.