Een las die spat, slecht vloeit of poreus wordt, ligt niet altijd aan de lasmachine. De draad is vaak de eerste plek om te kijken. De vraag hoe kies je MIG-draad draait om meer dan alleen de diameter van de spoel: het basismateriaal, de materiaaldikte, het beschermgas en de draadaanvoer moeten op elkaar aansluiten.
De juiste MIG-draad geeft een rustig lasbad, voorspelbare inbranding en een las die past bij de toepassing. De verkeerde draad kost tijd, veroorzaakt extra nabewerking en kan bij constructiewerk zelfs tot onvoldoende lasverbindingen leiden. Kies daarom eerst op materiaal en toepassing, en pas daarna op prijs of spoelgewicht.
Hoe kies je MIG-draad op basis van het materiaal?
De hoofdregel is eenvoudig: kies een toevoegmateriaal dat past bij het materiaal dat je last. Voor ongelegeerd staal, roestvast staal en aluminium zijn andere draadsoorten nodig. Een universele draad voor alle metalen bestaat niet.
MIG-draad voor staal
Voor gewoon constructiestaal en plaatstaal is verkoperde massieve staaldraad de standaardkeuze. De meest gebruikte classificatie is SG2, ook bekend als G3Si1. Deze draad is geschikt voor veel algemeen laswerk, zoals hekwerk, machineframes, werkplaatsreparaties en staalconstructies.
SG2 bevat silicium en mangaan. Die elementen helpen het lasbad te ontoxideren en zorgen voor een nette las bij licht verontreinigd staal. Werk je met schoon, nieuw staal en een passend gasmengsel, dan is SG2 meestal de praktische keuze. Voor toepassingen met hogere eisen aan sterkte, taaiheid of materiaalkwaliteit kan een andere classificatie nodig zijn. Kijk dan altijd naar de vereiste materiaalcertificaten en lasmethode.
Gebruik voor staal bij voorkeur een argon/CO2-menggas. Een veelgebruikte verhouding is argon met een beperkt aandeel CO2. Daarmee krijg je minder spatten en een rustiger boogbeeld dan met zuiver CO2. Zuiver CO2 is economisch en geeft goede inbranding, maar veroorzaakt doorgaans meer spatten.
MIG-draad voor RVS
RVS las je met roestvaststalen draad die aansluit op de RVS-kwaliteit van het werkstuk. Voor RVS 304 wordt vaak type 308LSi gebruikt. Voor RVS 316 is 316LSi gebruikelijk. De aanduiding L staat voor een laag koolstofgehalte, wat gunstig is voor de corrosiebestendigheid rond de las.
Gebruik bij RVS geen gewone staaldraad. De las kan dan roesten en verliest zijn corrosiebestendige eigenschappen. Let ook op kruisbesmetting: een RVS-borstel, slijpschijf of werkbank die eerder intensief voor staal is gebruikt, kan ijzerdeeltjes achterlaten. Die veroorzaken later roestplekjes, ook als je de juiste lasdraad hebt gebruikt.
Voor RVS werkt een argonrijk gasmengsel met een kleine toevoeging CO2 of zuurstof goed. Te veel actief gas kan de corrosiebestendigheid en het lasuiterlijk nadelig beïnvloeden. Bij zichtbaar werk, zoals leuningen, voedingsmiddelenmachines of RVS plaatwerk, is een stabiele gasdekking extra belangrijk.
MIG-draad voor aluminium
Aluminium vraagt om aluminiumdraad en een andere aanpak in de draadaanvoer. Veelgebruikte soorten zijn AlMg5 en AlSi5. AlMg5 past bij veel magnesiumhoudende aluminiumlegeringen en levert een sterke las. AlSi5 vloeit vaak gemakkelijker en is een logische keuze voor veel gietstukken en siliciumhoudende legeringen.
Voor aluminium gebruik je zuiver argon als beschermgas. De draad is zacht en gevoelig voor vervorming in de kabel. Daarom werkt een korte toorts, een teflon liner en een geschikt aandrijfsysteem beter dan een lange standaard MIG-slang. Bij veel aluminiumwerk is een push-pull-toorts of spool gun de meest betrouwbare oplossing.
De juiste draaddiameter kiezen
De draaddiameter bepaalt hoeveel stroom je prettig kunt lassen, hoe goed je dun plaatwerk beheerst en hoe snel je lasnaden kunt vullen. Dikker is niet automatisch beter. Een te dikke draad op dun plaatwerk maakt het lastiger om de warmte te controleren.
Voor staal zijn 0,6, 0,8 en 1,0 mm de meest voorkomende diameters. Draad van 0,6 mm is geschikt voor dun plaatwerk, bijvoorbeeld carrosserieplaat of licht constructiewerk. Je kunt met een lagere stroom werken en houdt meer controle over doorbranden.
0,8 mm is de meest veelzijdige diameter voor werkplaatsen. Deze maat is geschikt voor veel staalwerk vanaf ongeveer 1,5 tot 6 mm, afhankelijk van machine, laspositie en naadvorm. Voor algemeen onderhouds- en constructiewerk is 0,8 mm daarom vaak het logische startpunt.
Bij dikker materiaal, langere lasnaden en hogere stroomsterktes is 1,0 mm of 1,2 mm praktischer. De draad kan meer lasmetaal afzetten en houdt zich beter bij zwaarder werk. Daar staat tegenover dat je een lasmachine nodig hebt die voldoende vermogen levert en dat dun materiaal minder vergevingsgezind wordt.
Voor aluminium is 1,0 mm of 1,2 mm vaak prettiger dan zeer dunne draad. De draad loopt stabieler door de aanvoer en is minder gevoelig voor opstroppen. Bij RVS zijn 0,8 en 1,0 mm gangbare keuzes, afhankelijk van plaatdikte en lasvolume.
Stem draad, aandrijfrol en slijtdelen op elkaar af
Een geschikte draad werkt alleen goed als de toorts en draadaanvoer erop zijn ingesteld. Controleer daarom de aandrijfrol, liner en contacttip voordat je een nieuwe draadsoort monteert.
Voor massieve staal- en RVS-draad gebruik je doorgaans een V-groef aandrijfrol. Aluminiumdraad vraagt om een U-groef, omdat een V-groef de zachte draad kan beschadigen of platdrukken. Gekartelde aandrijfrollen zijn bedoeld voor gevulde draad en kunnen massieve draad beschadigen.
De contacttip moet overeenkomen met de draaddiameter. Een 0,8 mm contacttip hoort bij 0,8 mm draad. Bij aluminium kan een iets ruimere tip soms nodig zijn, omdat aluminium bij warmte sterker uitzet. Kies dat alleen wanneer de fabrikant van de toorts of draad dit adviseert.
Ook de liner verdient aandacht. Een stalen spiraalliner is geschikt voor staal en RVS. Voor aluminium heb je een teflon- of kunststofliner nodig. Vervang een vervuilde liner tijdig. Metaalstof en slijpsel in de liner geven onregelmatige draadaanvoer, alsof de machine verkeerd staat afgesteld.
Massieve draad of gevulde draad?
Bij MIG/MAG-lassen wordt meestal massieve draad gebruikt in combinatie met beschermgas. Dit geeft een nette las, weinig slak en is efficiënt voor werk in de werkplaats. Voor staalconstructies, plaatwerk en productie is dit doorgaans de eerste keuze.
Gevulde draad heeft een poederkern en kan andere eigenschappen bieden. Zelfbeschermende gevulde draad is bruikbaar bij buitenwerk, waar wind het beschermgas verstoort. De keerzijde is meer rook, slakvorming en vaak meer nabewerking. Gasbeschermde gevulde draad wordt ingezet wanneer hogere neersmeltsnelheid, specifieke mechanische waarden of positie-lassen belangrijk zijn.
Wie vooral binnen werkt met een normale MIG/MAG-machine en gasfles, heeft meestal meer aan massieve SG2-draad. Werk je regelmatig buiten op locatie, dan kan gevulde draad een praktische aanvulling zijn, mits de machine geschikt is voor de vereiste polariteit en instellingen.
Let op spoelmaat, opslag en verbruik
Een kleine spoel is handig wanneer je af en toe last of verschillende draadsoorten gebruikt. Een grotere spoel is voordeliger per kilogram en voorkomt onnodig wisselen bij dagelijks werk. Controleer wel of de spoelmaat op de draadhaspel van je machine past en of je een geschikte spoeladapter nodig hebt.
Bewaar MIG-draad droog, schoon en afgesloten van vochtige werkplaatslucht. Vooral RVS- en aluminiumdraad verdienen schone opslag. Vuil, oxidatie of vocht op de draad kan porositeit, onstabiele stroomoverdracht en slechte lasnaden veroorzaken. Laat een aangebroken spoel niet wekenlang onbeschermd naast een open deur of in een koude bus liggen.
Veelgemaakte fouten bij MIG-draad kiezen
De meest voorkomende fout is draad kiezen op alleen de plaatdikte. De plaatdikte bepaalt de diameter, maar niet de legering. Een tweede fout is het combineren van de juiste draad met verkeerd gas. RVS-draad met een standaard staalgasmengsel kan bijvoorbeeld een technisch en visueel mindere las geven.
Ook wordt de draadaanvoer vaak te strak afgesteld. Daardoor vervormt de draad of slipt de aandrijving zodra de contacttip weerstand geeft. Stel de druk zo in dat de draad gelijkmatig loopt, zonder dat hij wordt platgeknepen. Controleer daarna de stroomtip, massa-aansluiting en gasdoorstroming voordat je de lasinstellingen opnieuw gaat veranderen.
Maak bij een nieuw materiaal of een kritische verbinding altijd eerst een proeflas op restmateriaal. Kijk naar inbranding, lasrups, spatten en eventuele poriën. Een minuut testen voorkomt dat je een werkstuk opnieuw moet uitslijpen. De beste MIG-draad is uiteindelijk de draad die aantoonbaar past bij jouw materiaal, gas, machine en de eisen van het werk.